⏱️ 2 min leestijd
De verkeerslichten: rood, oranje, groen… en de andere
Groen, oranje, rood: dat kent u. Maar het examen is dol op de minder voor de hand liggende gevallen — het oranje dat vlak voor uw wiel opduikt, het licht dat 's nachts knippert, het kleine fietslicht langs het fietspad. We overlopen ze allemaal.
📑 In deze les (4)
De drie kleuren van het klassieke verkeerslicht
- Groen: u mag doorrijden — op voorwaarde dat de weg vrij is en u het kruispunt kunt vrijmaken zonder er middenin vast te komen zitten.
- Vast oranjegeel: het kondigt het rode licht aan. U moet stoppen, tenzij u al zo dicht bij het licht bent dat bruusk remmen gevaarlijk zou zijn.
- Rood: verplicht stoppen, vóór de stopstreep of, bij gebrek daaraan, vóór het licht.
De pijlen
Een verkeerslicht kan een pijl tonen in plaats van een volle schijf: het geldt dan enkel voor de aangegeven richting. Groene pijl naar rechts = u mag alleen rechts afslaan. Rode pijl = stoppen voor die richting, ook al staat een ander licht van het kruispunt op groen.
Het knipperende oranje licht: voorzichtigheid, geen voorrang
Een knipperend oranjegeel licht (vaak 's nachts) regelt niets meer: het betekent verdubbel uw voorzichtigheid. Op het kruispunt gelden opnieuw de gewone regels — zonder andere signalisatie is dat de voorrang van rechts. Dit licht geeft u geen enkel recht van doorgang.
De fietslichten: ze kunnen ook voor u gelden
De kleine lichten met een fietssymbool regelen het verkeer op het fietspad. Wanneer u daar met uw tweewielige bromfiets rijdt — verplicht in klasse A (≤ 25 km/u), mogelijk in klasse B (≤ 45 km/u) naargelang het geval — volgt u die lichten, niet die van de auto's. Op de rijbaan volgt u de gewone lichten.
Laatste geval: de lichten met witte balken op een donkere achtergrond. Die zijn voorbehouden aan bussen en trams — ze gelden nooit voor u, verwar ze niet met uw eigen lichten.
Het is 23 uur, het licht op het kruispunt knippert oranje. Wie heeft voorrang?